Vaktijdschrift over
actieve kunstbeoefening



 

Deze mensen kun je niets opleggen

auteur: Roel Mazure

‘Ook mentaal gehandicapten hebben recht op artistieke ontwikkeling’, stelt Marc Bryssinck, artistiek leider van het Belgische Theater Stap. Zijn theatergezelschap bestaat uit mensen met een metale beperking, maar is erkend als professioneel theatergezelschap. ‘Onze acteurs hebben hun eigen kwaliteiten’.

Marc Bryssinck, artistiek leider van Theater Stap uit het Belgische Turnhout, is vrijwel vanaf het begin bij het gezelschap betrokken. Alleen 1985, het eerste jaar, heeft hij gemist. Toen organiseerde de Vlaamse theatermaker Erik Wouters en muzikant Flor Verschueren een theaterworkshop voor mensen met het Down-syndroom. Dat was de aanzet tot de oprichting van Theater Stap. De spelersgroep werd samengesteld uit vier Turnhoutse instellingen voor mensen met een mentale beperking.

Bryssinck raakte bij Stap betrokken, toen hem in het tweede jaar gevraagd werd om muzikale bijdragen. ‘Een jaar later schreef ik muziek voor een nieuwe productie.’

Vanuit welk uitgangspunt is Theater Stap destijds begonnen? ‘Erik en Flor wilden theater maken met mensen met een mentale beperking en vroegen zich af welke vorm dat moest krijgen. Ze begonnen een artistieke zoektocht, die leidde tot bewegingstheater met veel muziek, maar zonder tekst of rolopbouw. Volgens Erik en Flor was de kracht van de spelers hun ‘zijn’, niet hun theaterspel.

We kregen vanaf het begin steun van cultureel centrum De Warande hier in Turnhout die de waarde van het experiment inzag. Omdat die deur voor ons openzwaaide, was de drempel naar andere culturele centra veel lager. Vanaf het begin zijn we met onze voorstellingen door het land getrokken.

Die eerste jaren trokken we veel publiek, maar na een paar jaar liep de belangstelling terug. Dat leidde tot interne discussies. Erik en Flor wilden op de oude voet doorgaan, terwijl anderen de aanpak te beperkt vonden en geloofden dat mentaal gehandicapten tot meer artistieke ontwikkeling in staat waren. Het gevolg was dat de pioniers afscheid namen en ik artistiek leider werd.’

Theater Stap is verbonden aan een dagcentrum. ‘Dat is het gevolg van de professionalisering die we hebben doorgemaakt. Wij geloven heilig in de mogelijkheden van deze mensen. Zij hebben natuurlijk flinke beperkingen, maar daarnaast hebben zij ook kwaliteiten. Die willen we benadrukken. Maar het gevolg van hun beperkingen is dat je meer tijd nodig hebt om een voorstelling te maken. Dat komt ook omdat het proces anders is dan bij mensen zonder beperking. Die kun je vragen in een rol te stappen en regisseren. Deze mensen kun je niets opleggen. Dat betekent dat de voorstelling meer uit deze mensen zelf komt. Als regisseur stuur je hoogstens wat bij. Juist omdat zo’n proces veel tijd vraagt, wilden we meer tijd met de spelers kunnen doorbrengen. Tot die tijd moesten we afspraken maken met de verschillende dagcentra waar onze spelers zaten. Dat was organisatorisch lastig. Daarom zijn we in 1991 zelf een dagcentrum begonnen, waarin de nadruk op theateractiviteiten ligt. ‘

Dus je selecteert mensen voor Theater Stap? ‘Ja, de harde waarheid is dat we niet met iedereen kunnen werken. Maar dat geldt ook voor mentaal gehandicapten op zorgboerderijen. Mensen met smetvrees kunnen ze daar echt niet hebben. We zijn nu eenmaal een theatergezelschap en dus moeten we kunnen beschikken over spelers. We zijn geduldig met onze mensen en geven ze echt vier, vijf jaar de tijd om naar het theater te groeien, maar als iemand uiteindelijk niet “rendeert”, niet durft of het gewoon niet kan, dan kunnen we hem ook niet zomaar overplaatsen naar een ander dagcentrum. Daarom proberen we zo goed mogelijk te scouten. Dat werd een paar jaar geleden nog wel geaccepteerd, maar tegenwoordig steeds minder.


De regisseur moet zijn prachtige ideeën ondergeschikt maken aan de mogelijkheden van onze spelers


Aan de ene kant is dagcentrum Kasteel net zo’n dagcentrum als andere; het krijgt dezelfde subsidie uit het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie als andere dagcentra. Aan de andere kant krijgt Theater Stap subsidie van het ministerie van Cultuur. Formeel zijn we gescheiden organisaties, maar in de praktijk werken we samen. Tijdens onze repetities is er ook altijd een pedagoog van het Kasteel aanwezig, die inmiddels zo in de theaterwereld is ingewijd dat die ook theaterworkshops op scholen begeleidt.

Nog een rechtvaardiging voor selectie is dat ons publiek strenger is geworden. Aanvankelijk klonk weinig kritiek op onze voorstellingen, omdat het om mentaal gehandicapten ging. Inmiddels bekijkt en beoordeelt het publiek ons steeds meer als andere theatergezelschappen, en dat is goed. Voor ons is dat een reden te meer om onze positie te versterken en talenten te zoeken. Sinds acht jaar doen we dat door mentaal gehandicapte jongeren, die overdag nog gewoon naar school moeten, op woensdagmiddag uit te nodigen voor theater- en muziekworkshops. Op die manier vormen we een soort theatervooropleiding.’

Wat voor soort stukken speel je met deze mensen? ‘We maken taalarm theater. Veel van onze spelers hebben moeite met het onthouden van tekst of met de articulatie. Toch kunnen een paar zinnen een groot verschil maken. Wanneer nodig bewerken we zinnen en zoeken we naar woorden die onze spelers goed kunnen uitspreken.

We proberen altijd iets nieuws. Daarom werken we ook vaak met gastregisseurs of -choreografen (zie ook kader). Bovendien zoeken we graag de confrontatie. We hebben bijvoorbeeld een stuk van Max Frisch gespeeld waarin iemand tijdens de oorlog ervan verdacht werd Jood te zijn. Dat stuk handelde over stigmatisering en over buitenstaander zijn. Daarmee ging het eigenlijk ook over deze mensen.

In het voorjaar van 2010 maakte Heidi de Feyter voor haar afstudeerproject Drama aan de Fontys Hogeschool het stuk Poppemie met vier spelers uit een jongerentheatergroep en vijf van onze spelers. Dat stuk ging over relaties en onder meer de kinderwens. Zo’n onderwerp is belangrijk voor onze spelers, omdat we daarmee een lastig probleem bespreekbaar maken. Het helpt hen te beseffen dat kinderen er voor hen waarschijnlijk niet in zitten. Door het theaterspel en de tijd die we daarvoor nemen, komt die boodschap over. Ja, zo’n theaterstuk is erg confronterend, ook voor de ouders van die spelers. Maar confronteren is toch ook de bedoeling van theater?’

‘We doen aan talentscouting. Dat werd een paar jaar geleden nog geaccepteerd, maar tegenwoordig steeds minder’

Heeft Theater Stap therapeutische doelen? ‘Theater Stap is vooral therapeutisch omdat dit hun baan is, terwijl ze eigenlijk het stempel “arbeidsongeschikt” hebben gekregen. Onze spelers zijn professionals. We willen en krijgen in theaters dan ook dezelfde behandeling als acteurs zonder beperking. Die combinatie van werk en de erkenning is de best mogelijke therapie; ze worden gezien en erkend om hun waarde. Wat dat betreft zijn zij niet anders dan ik. Dankzij hun heb ik een baan en word ik erkend.’

Wat vraagt het werken met deze mensen van de artistieke leiding? ‘Je moet in ieder geval interesse in deze mensen hebben. En beseffen dat deze mensen ook hun kwaliteiten hebben, maar dat het vaak meer tijd kost om met deze mensen een voorstelling te maken. Belangrijk is ook de houding van de regisseur. Die moet flexibel zijn en bereid zijn om al zijn prachtige ideeën ondergeschikt te maken aan de mogelijkheden van onze spelers.

Ik heb in de loop van de tijd geleerd te werken met hun individualiteit. Ze hebben weliswaar allemaal een mentale handicap, maar ze verschillen wel. Sommige zijn erg nerveus voor een voorstelling, andere juist helemaal niet; die zijn haast overmoedig.’

Hoe sta je tegenover integratie tussen mensen met en zonder handicap in de kunsteducatie? ‘De voormalige Vlaamse minister Bert Anciaux heeft zich er in België hard voor gemaakt dat mensen met een handicap of een beperking terecht kunnen in het deeltijdkunstonderwijs, bijvoorbeeld bij wat jullie Centra voor de Kunsten noemen. Dat is inmiddels zelfs Europees afgesproken, maar in de praktijk komt daar nog weinig van terecht. Daarom zijn er veel initiatieven vanuit autonome structuren of vanuit instellingen voor mensen met een beperking. Ik ben in principe voorstander van integratie in het deeltijdkunstonderwijs, maar besef ook dat het lastig kan zijn. Misschien is daarvoor nodig dat er meerdere niveaus komen, afhankelijk van ambities en mogelijkheden. Ik zit in een werkgroep van het ministerie dat nadenkt over die integratie, maar een oplossing hebben we nog niet.’


Toernee en ovatie voor Stap-spelers
Theater Stap nodigt regelmatig jonge theater- en dansmakers uit om voorstellingen te maken. Uit de lange reeks noemen we er twee. In 2002 maakte de toen nog onbekende Belgisch-Marokkaanse choreograaf Sidi Larbi Cherkaoui samen met Nienke Reehorst de voorstelling Ook met spelers van Stap. De voorstelling was een succes. Bovendien leidde die er toe dat Marc Wagemans, een van de spelers van Stap, nu regelmatig figureert in dansstukken van Sidi Larbi en mee op toernee gaat. Ook het verhaal van de jonge filmregisseur Gust Van Den Berghe is bijzonder. Hij wilde als eindexamenproject voor de Filmschool in Brussel En waar de sterre bleef stille staan, een kerstverhaal van Felix Timmermans, verfilmen met spelers van Stap. Zijn opleiders zagen daar niets in, maar Van den Berghe zette door. Het gevolg: Little Baby Jesus of Flandr, zoals de film in het buitenland heet, werd geselecteerd voor het filmfestival van Cannes en oogstte er een minutenlange staande ovatie. In december ging de film in een groot aantal bioscopen in België in première. Bekijk filmpjes van Theater Stap op www.theaterstap.be