|
|
< Terug
Verslag expertmeeting Let’s Dance BoysGeplaatst: 15 april 2010
Ode aan dansende jongens ‘We brengen vandaag een ode aan de jongens’, zei Gaby Allard, directeur van de ArtEZ Dansacademie in Arnhem, in haar openingswoord van de expertmeeting Let’s dance boys die zaterdag 13 maart in haar dansacademie plaatsvond. ‘Want nog steeds hebben jongens die dansen vooroordelen te overwinnen. Gelukkig zijn er wel steeds meer jongens die trots hun bewegingsvermogen laten zien en die er trots op zijn deel uit te maken van een dansgroep.’ Get the Flash Player to see this rotator.
foto's Bert Holtmann Ondanks het optimisme in de woorden van Allard staat de dansstrijd voor jongens nog maar aan het begin van een nieuwe ontwikkeling. Want terwijl de instroom van jongens op dansopleidingen langzaam aanzwelt, rijst de vraag: wat doen we met de jongens? Passen zij wel in de huidige opleidingen of moeten we die aanpassen aan de mogelijkheden en onmogelijkheden van jongens? De expertmeeting, die Kunstfactor samen met ArtEZ en Boys Action organiseerde, was bedoeld om eens een dagje collectief na te denken over jongens en dans. En om te luisteren naar wat ervaringsdeskundigen uit binnen- en buitenland daarover hebben te vertellen. Rode lijn De expertmeeting trok veel dansdocenten en ook de Centra voor de Kunsten waren goed vertegenwoordigd met docenten en consulenten. Bovendien was er een enkele vertegenwoordiger uit het reguliere onderwijs. Een kleine honderd deelnemers toonden zich – vooral tijdens de discussie aan het eind van de dag – zeer betrokken bij het onderwerp. Voor het zover was, introduceerde dagvoorzitter Mavis Carrilho drie ervaringsdeskundigen, de pijlers van het programma. Hun inbreng was interessant omdat zij in respectievelijk Nederland, Finland en Engeland werken en lesgeven in compleet verschillende settings. Wil Boom verzorgt jongensdanslessen voor amateurs, Ilkka Lampi doet dit in de Royal Opera en Ray Oudkerk in het voortgezet onderwijs. De presentatie van hun werkwijzen beperkte zich niet tot verbale theorieën; alle drie de docenten demonstreerden hun aanpak door middel van live trainingen, waarvoor de jongens van Boys Action als gewillige en vooral vaardige slachtoffers dienden. De overeenkomst was onmiskenbaar: alle drie vonden ze dat jongens een eigen benadering nodig hebben, met als voornaamste argument dat jongens zich nu eenmaal anders ontwikkelen dan meisjes. Wil Boom, dansdocent en oprichter van Boys Action De eerste dansdocent die over zijn visie op dansen voor jongens vertelde was Wil Boom, oprichter van Boys Action. ‘Goed initiatief, deze expertmeeting, want er is nog steeds te weinig informatie over dansen met jongens.’ Volgens hem heeft dat een historische achtergrond. ‘In het ballet kreeg de man vooral een ondersteunende rol en hoewel er mooie stukken voor mannen zijn, is dat klassieke beeld nauwelijks veranderd.’ Ter illustratie verwijst hij naar de posters voor dansvoorstellingen, waarop over het algemeen wel zwanen en spitzen staan, maar nooit de acrobatische sprongen van de mannen. Voor de specifieke aanpak voor jongens die Boom ontwikkelde, noemt hij twee inspiratiebronnen. ‘Ten eerste mijn eigen ervaringen. Ik gaf les op de manier waarop ik zelf les heb gekregen, maar merkte dat ik daarmee eigenlijk te hoog greep.’ Minstens zo belangrijk was de opleiding tot docente Lichamelijke Opvoeding van zijn vrouw Elise. ‘Zij leerde onder meer over de motorische ontwikkeling van kinderen. Dat zette me aan het denken. Zo ontdekte ik ook dat de motorische ontwikkeling van jongens en meisjes verschillen.’ Wil pleit er daarom voor om in het danscurriculum veel meer rekening te houden met de verschillende groeifasen van jongens. Hij heeft zelf het goede voorbeeld gegeven met de oprichting van Boys Action, een dansgezelschap voor talentvolle jongens. Doel: het geven van danslessen speciaal voor jongens, waarbij de didactiek gericht is op hun motoriek, cultuur en belevenis. Uit de demonstratie die Boom tijdens de expertmeeting gaf, blijkt dat hij in zijn lessen nadrukkelijk elementen uit de streetdance en de acrobatiek gebruikt. ‘Als je bewegingen uit de hiphop, de breakdance, folkloristische dansvormen en het klassiek ballet goed analyseert, zie je dezelfde bewegingspatronen.’ Wat Boom doet is jongens trainen door ze te ‘pakken’ met bewegingsvormen die hen het meest aanspreken: een mengvorm van breakdance, turnelementen en acrobatiek. Intussen oefent hij sneaky tricks met ze voor eventuele vervolgstappen in het klassieke ballet. ‘Of je nou voor breakdance kiest of voor klassiek ballet, je hebt dezelfde basistechniek nodig’, stelt Boom. Maar omdat jonge jongens ballet niet cool vinden, maar vette trucs wel, maakt Boom ze daarmee lekker. ‘Ik leer ze die trucs en installeer daarmee grote, sterke bewegingen in hun lijf. Die kunnen ze dan later verfijnen.’ De lessen van Boom bevatten meer nuttige elementen. ‘We zorgen voor een speelse, humorvolle sfeer. Dat werkt verbindend en bevordert het zelfvertrouwen. Bovendien werken we aan trainingsdiscipline.’ Dat is nooit weg, ook niet als de jongens uiteindelijk een toekomst buiten de dans zoeken. Ilkka Lampi, balletdocent De tweede expert tijdens de expertmeeting was de Fin Illka Lampi. Hij vertelde dat theorie en praktische ervaring met verschillende dansvormen op Finse scholen tot het basisprogramma behoren. ‘De praktijk is echter weerbarstig’, zegt Lampi, die als balletdocent jarenlang verbonden was aan de Finse Opera Balletschool. ‘Omdat veel leerkrachten, zeker in het basisonderwijs, zelf onvoldoende in staat zijn om danslessen te geven.’ Verder blijkt dat Finse jongens vaak helemaal geen zin hebben in die danslessen. ‘Logisch’, vindt Lampi, ‘want de traditionele danslessen sluiten totaal niet aan op hun belevingswereld.’ Dat het ook anders kan, bewees Lampi jarenlang tijdens een zomerdanskamp voor jongens, een onderdeel van een jaarlijks dansfestival in het Finse Kuopio. ‘Jongens van twaalf, zoals mijn zoon, zijn niet geïnteresseerd in dans of ballet. Maar dat veranderde toen we Star Wars gingen gebruiken en we de jongens leerden om als Jedi’s te bewegen. Toen zei mijn zoon: ‘Ballet is fucking cool!’ Lampi gaat bij zijn benadering van jongens nadrukkelijk uit van de natuurlijke ontwikkeling. ‘Kijk naar jonge dieren’, zegt hij. ‘Die spelen en stoeien. Vanuit die ongestructureerde beweging leren zij later gericht jagen.’ Spelen is volgens Lampi goed voor de ontwikkeling van hersens en sociale vaardigheden. ‘In het spel leer je wie je kunt vertrouwen.’ Lampi illustreert zijn uitgangspunten tijdens een korte demonstratie met jongens van Boys Action. Het spelelement komt vooral tijdens de warming-up naar voren. In tweetallen houden de jongens elkaars armen vast en proberen zij met een voet de voet van de ander te raken. Dat spel wordt nog een graadje wilder door dezelfde oefening in een cirkel van vijf jongens te doen. ‘Daarmee trainen we ook de behendigheid’, verklaart Lampi. ‘Het ‘gevaar’ kan in dit spel van alle kanten komen. Snel reageren op onverwachte situaties is een eigenschap die ook nuttig is voor dansers.’ Bewust laat Lampi de jongens zoveel mogelijk al hun ledematen gebruiken. Zijn adagium voor de coördinatie is daarbij: van grof naar fijn. ‘Laat ze eerst al hun lichaamsdelen leren gebruiken. Later, als hun motoriek beter ontwikkeld is, komt de verfijning.’ Indrukwekkend is de oefening waarbij de jongens in tweetallen gearmd over de diagonaal dansen. Steeds houdt een van de twee jongens zijn ogen dicht, terwijl ook hij sprongen maakt. Zo’n oefening is niet alleen speels, maar leert de jongens bovendien vertrouwen te geven en te krijgen. Indrukwekkende mannen Wil Boom en ook Ray Oudkerk, die na de pauze aan het woord kwam, gebruiken in hun trainingen nadrukkelijk elementen uit de urban dance-cultuur. Niet zo gek, want street- en breakdance hebben net die rauwe kantjes die jongens over het algemeen interessant vinden. Imponeren, uitdagen en battelen komen regelrecht van de apenrots; wie kent de imposantste tricks, wie is het alpha-mannetje? Dat dansleraren leentjebuur spelen bij de urban dance kent ook een tegenbeweging. Want urban dance is inmiddels de theaters binnengedrongen. Aan het eind van de ochtend gaven twee jonge mannen van ISH daarvan een indrukkend voorbeeld. ISH werd opgericht door choreograaf Marco Gerris, die voor zijn voorstellingen uitgaat van street skills, zoals trucs op inline skates en technieken uit de street- en breakdance. Ook martiale kunsten vormen een bron van inspiratie. De mix leidt tot een dynamisch geheel dat het in theaters goed doet. Daarmee is ISH een niet te onderschatten rolmodel; jongens kunnen met street art mensen bereiken en waardering oogsten. Het duet dat Robert Villedieu en Carl Refos lieten zien, mag exemplarisch worden genoemd. De twee jonge mannen hadden bij wijze van spreken het straatstof nog aan de broekspijpen en daagden elkaar uit alsof zij op een pleintje in de wijk in een battle waren verwikkeld. Maar zij lieten niet alleen mannelijk ‘geweld’ en imponeergedrag zien. In hun duet was ook ruimte voor verstilling en lyriek. Door het contrast maakten hun ongelofelijke fysieke capaciteiten extra veel indruk. Nieuwe wegen ‘Indrukwekkend wat die kereltjes al kunnen’, zei Ed Wubbe, artistiek directeur van het Scapino, na de pauze toen hij op het podium door Mavis Carrilho werd geïnterviewd. Hij doelde op de jongens van Boys Action waarmee Wil Boom en Ilkka Lampi voor de pauze hun aanpak demonstreerden. Sinds kort is Wubbe als beschermheer van Boys Action bij ‘die kereltjes’ betrokken. Wat Wubbe aanspreekt, zijn de verschillende dansvormen die Boom in de trainingen van Boys Action integreert. ‘Bij Scapino doen we dat ook. Dat leidt tot nieuwe wegen. Het verrijkt de theaterdans. Bovendien kunnen we jongens daardoor op een andere manier in de dans trekken’, zegt Wubbe. Op de vloer demonstreerde Wubbe hoe hij voor acht vierdejaars dansstudenten van ArtEZ een eindexamenstuk choreografeert. Hij liet de jongens dezelfde frase op verschillende manieren dansen; als opeenvolgende soli met een faseverschil, in duetvorm en met de hele groep unisono. Hoewel de bewegingen steeds hetzelfde waren, verschilde het totaalbeeld. ‘Voor de uiteindelijke vorm moeten we nog kiezen.’ Wubbe’s aanpak was niet specifiek op jongens gericht. Toch valt er uit zijn zoektocht naar de mooiste vorm wel een les te trekken voor dansdocenten die met jongens werken. Want Wubbe liet de ingestudeerde passage ook op verschillende muziek dansen. ‘Op muziek van Händel wekken dezelfde bewegingen andere energie op dan op housemuziek.’ Dus mochten de jongens eens in een onstuimige bui zijn, geef ze met opzwepende muziek even de vrije teugel. Intermezzo Een leuk intermezzo was de filmregistratie Van chaos tot structuur van lessen van Wil Boom. We zagen jongens uit Groesbeek van een jaar of zeven tijdens hun vierde dansles. ‘Stilzitten is het begin’, lazen we op een zeker moment, maar dat kan je van jongens van die leeftijd nog nauwelijks verwachten. Gelukkig hield Boom ze dan ook vooral in beweging. Dat oogde nog lekker ongepolijst, maar waar het toe kan leiden, toonde het einde van het filmpje: een techniekles voor jongens die geselecteerd waren voor Boys Action. Ray Oudkerk Na dat filmpje was het woord aan Ray Oudkerk, dansdocent van de Forest Hill Boys School (Zuid-Londen). In Engeland is dans een verplicht vak in het basisonderwijs en een keuzevak op het voortgezet onderwijs. Maar iedere school vult dat op zijn eigen manier in. ‘Ik heb het geluk dat de directie van mijn school veel belang hecht aan dans als middel om life skills mee te verwerven’, vertelt Oudkerk. ‘Daarom werd één van de twee gymnastieklokalen omgebouwd tot dansstudio. Door die omgeving nemen leerlingen het vak meer serieus. Het helpt bij de motivatie.’ Wat ook helpt, is Oudkerks aanpak, die gekenmerkt wordt door positivisme. ‘Ik accepteer niet dat er in mijn les negatief over dans wordt gepraat. Ook ‘ik kan het niet’ of ‘ik houd er niet van’, wil ik niet horen.’ Essentieel is dat Oudkerk de jongens niet de gelegenheid geeft tot discussie of geklets. ‘Ik breng ze zo snel mogelijk in beweging en houd ze het hele uur bezig. Mocht ik een keer meer tijd nodig hebben om iets uit te leggen, dan laat ik ze op de grond zitten. Zo blijf ik de controle houden.’ Met de groepen tot dertig jongens die hij les geeft, zijn dat soort drilmethoden waarschijnlijk hard nodig. Overigens staat Oudkerk niet als een sergeant voor zijn klas, zo blijkt uit zijn superdynamische demonstratie, die ook in een sportschool niet zou misstaan. ‘Ik doe mee. Als je een rolmodel wilt zijn, moet je risico’s nemen en fouten durven maken’, stelt hij. En inderdaad, tijdens de demonstratie vergist hij zich een keer. Maar razendsnel pakt hij de draad op zonder er woorden aan vuil te maken. Ook dat is een lesje aan zijn leerlingen. Fouten maken is geen probleem! Opvallend is dat hij met zijn remote control heel vaak van muziek wisselt. ‘Variatie houdt de attentie vast.’ Tussen de bedrijven door strooit hij kwistig met complimentjes. Dat is onderdeel van de positive journey die zijn danslessen beogen te zijn. ‘Soms laat ik de jongens in tweetallen werken. Maar om er de vaart in te houden, laat ik ze niet zelf partners kiezen; ik wijs ze toe. Het is bij mij verboden om dan te laten merken dat je niet blij met die partner bent. Bovendien wil ik dat ze elkaar complimenteren met wat ze laten zien.’ Inderdaad, Ray’s aanpak heeft in eerste instantie meer met levensinstelling dan met dans te maken, maar de kracht ervan is het positieve beeld dat jongens van dans krijgen. Rondvraag Na Oudkerks demonstratie zette Mavis Carrilho het publiek nadrukkelijk aan het werk. Zij wilde antwoord krijgen op twee belangrijke vragen: Wat neem je van vandaag mee naar je eigen praktijk? En: wat is er nodig om jongens aan het dansen te houden? Op beide vragen hadden de deelnemers veel antwoorden. Wat zij veel noemden als winst van de dag, was de energie, de liefde en de passie. Een aantal deelnemers was concreter: ‘Afstand nemen van één stijl en meer crossovers zoeken’, noemde een dansdocente als lesje van de dag. ‘Ook voor meisjes!’ Een collega was het vooral opgevallen hoe de dansdocenten hadden laten zien dat zij afstand namen van de klassieke en moderne danslesmethoden en van onderaf iets wisten op te bouwen. Een mooie reactie was ook het compliment aan Wil Boom en zijn aanpak: ‘Strakke structuur, maar met een zachte hand!’ Over wat er nodig is om jongens aan het dansen te houden en hun niveau te verhogen, hadden de deelnemers uiteenlopende ideeën. ‘Zorg dat de opleidingen op goed technisch niveau aandacht besteden aan urban dance’, klonk het. Want als crossovers bij jonge jongens werken, laat ze daar dan in kunnen doorgroeien. Gaby Allard van ArtEZ was het daar mee eens: ‘Maar daar is tijd voor nodig. Daar moeten we langzaam ingroeien.’ Verschillende deelnemers uitten hun behoefte aan een theoretisch onderbouwde methodiek die overdraagbaar is aan vooropleidingen en academies. Zij worden op hun wenken bediend, want Wil en Elise Boom gaan daar samen met ArtEZ aan werken, onder meer door bijscholingen voor dansdocenten te verzorgen, met het accent op het trainen van jonge jongens. Een interessante opmerking gold het manbeeld dat gevestigde dansgezelschappen en choreografen tonen. ‘Als ik al eens dansstuk alleen voor mannen zie, gaat het altijd over dat ene cliché, de bezopen machoman’, klaagde een deelneemster. Dat is als rolmodel inderdaad erg beperkt. Wubbe beaamde dat de rol van de man beter kan. Wellicht zit er een interessante uitdaging in voor choreografen: maak eens iets alleen voor mannen. En dan brengen we die stukken allemaal samen. Zou tot een heel leuk en vernieuwend festival kunnen leiden! Paneldiscussie Voordat de jongens van Boys Action de dag afsloten met een uitvoering van drie choreografieën, discussieerden Wies Rosenboom van Kunstfactor, Gaby Allard en Ed Wubbe over de dag en de opmerkingen uit het publiek. Nadrukkelijk betrokken zij ervaringsdeskundige Elise Boom bij de discussie. Centraal stond de vraag wat er nodig is om de aandacht te vestigen op dans voor jongens. Dat leidde tot een aantal interessante conclusies. Ten eerste was het panel, gesteund door Elise Boom, het erover eens dat voor jongensgroepen niet per se een mannelijke dansdocent nodig is. ‘Veel belangrijker is een jongensgerichte aanpak’, aldus Boom. Een cruciaal aspect daarvan zijn boys only-groepen, waarin jongens lekker onder elkaar zijn. Interessant was ook het onderwerp over de motivatie van jongens en hun ouders. Volgens Elise hebben dansdocenten daarin een rol. ‘Vaak willen de jongens wel, maar staan de ouders sceptisch tegenover dans’, is haar ervaring. Als gemotiveerde dansdocenten slagen Wim en Elise Boom er echter vaak in om ouders te overtuigen van het nut van dansen voor jongens. Het panel uitte grote zorg voor de ontwikkeling van dans voor jongens, juist omdat de financiering van de kunstsector door de actuele politieke ontwikkelingen zo onder druk staat. Wies Rosenboom betwijfelde echter of het alleen om geld gaat. ‘Het gaat in de eerste plaats om aandacht voor dans voor jongens’, stelde zij. ’Kunstfactor wil daarin een rol spelen door actief te lobbyen.’ Zij vertelde dat Kunstfactor en het Fonds voor Cultuurparticipatie bezig zijn met het landelijke educatieprogramma Muziek Telt. ’We hebben echter meteen gezegd dat we daarna iets met dans in het onderwijs willen.’ Daarmee zouden dus ook meer jongens worden bereikt. Gaby Allard onthult dat ArtEZ al plannen heeft voor een verdiepingsslag. Haar organisatie werkt al samen met Wil en Elise Boom onder meer door hun aanpak op te nemen in het programma van de dansdocentenopleiding. Daarmee voegt haar organisatie de daad bij haar slotwoord: ‘We zijn allemaal verantwoordelijk voor de toekomst van dans voor jongens en voor het verspreiden van kennis daarover.’ Expertmeeting Let’s Dance Boys Georganiseerd door Kunstfactor, ArtEZ Dansacademie en Boys Action Anhem, 13 maart 2010 ArtEZ Dansacademie, Arnhem Een korte versie van dit verslag is gepubliceerd in Dans Magazine, 2010/2 Meer lezen/zien
Agenda
|
|